Bericht

Wat is FIEN?

Wat is FIEN

fiengif2

FIEN: wie zijn we, wat doen we, wat is onze geschiedenis?

De Federatie Industrieel Erfgoed Nederland is in 1984 opgericht als platform van een twintigtal organisaties op het gebied van industrieel erfgoed, uit diepe bezorgdheid over de massale sloop van waardevolle en leeggekomen fabriekspanden. FIEN heeft zich sindsdien samen met een groeiend aantal aangesloten clubs van vrijwilligers met toenemend succes sterk gemaakt voor het behoud van monumenten van het industriële verleden van ons land. FIEN doet dit door informatie te verspreiden over de actuele ontwikkelingen rond industrieel erfgoed en door de uitwisseling van ervaringen en plannen te stimuleren tussen de aangesloten organisaties. Hiertoe organiseert zij elk jaar een nieuwjaarsbijeenkomst en een voorjaarsvergadering, altijd op een interessante locatie met een excursie. Daarnaast zijn er studiebijeenkomsten over speciale thema’s. FIEN heeft voor deze platformfunctie een website in het leven geroepen, die onlangs is vernieuwd. Waar nodig zoekt FIEN publiciteit over urgente kwesties, waarbij ze zoveel mogelijk samenwerkt met verwante organisaties, zoals Heemschut. Daarnaast onderhoudt ze contacten met buitenlandse vrijwilligersorganisaties.

Industrialisatie en de-industrialisatie

De oprichting van FIEN in 1984 moet geplaatst worden tegen de achtergrond van diepgaande veranderingen in de Nederlandse economie, die een relatief korte periode afsloten waarin Nederland zichzelf als een echt industrieland opvatte. In vergelijking tot de ons omringende landen is de industrialisatie in Nederland vrij laat op gang gekomen. Pas na 1870 vond stoomkracht op grote schaal toepassing bij het vervaardigen van producten, het transport en de waterbeheersing. Dit bracht schaalvergroting, nieuwe productieprocessen en ook nieuwe typen van gebouwen en objecten met zich mee, zoals fabrieken, silo’s, spoorwegen, stations, energiecentrales. De waardering voor deze nieuwigheden was echter gering: men beschouwde ze als een noodzakelijk kwaad op de weg naar economische welvaart, en verontruste burgers richtten om die reden Bond Heemschut op. Pas na 1920 nam de waardering toe, mede dankzij de opkomst van grote, internationaal georiënteerde bedrijven, die door gerenommeerde architecten opvallende fabrieken en kantoren lieten bouwen en ook een moderner sociaal beleid gingen voeren (bijvoorbeeld door het bouwen van fabrieksdorpen). De traditionele maakindustrie heeft zich tot in de jaren 1970 kunnen handhaven. Daarna veranderde er veel. Automatisering, schaalvergroting en internationalisering van de economie leidden, samen met het einde van de hoogconjunctuur (verergerd door de oliecrises van 1973 en 1979), tot massale sluiting van bedrijven en bedrijfstakken die een solide basis waren geweest van de Nederlandse economie. De komst van de EEG betekende enerzijds meer concurrentie van lidstaten met lagere lonen (Italiaanse textiel en schoenen), maar anderzijds grotere afzetmogelijkheden binnen deze zone en bescherming tegen concurrenten van buiten de EEG. Na 1980 werd de invloed van neoliberale opvattingen over de economische politiek zeer sterk; verzet tegen verplaatsing van bedrijvigheid naar lagelonenlanden was daardoor erg moeilijk.

In plaats van de maakindustrie werden dienstverlening, transport en logistiek de belangrijkste pijlers van de economie. Hierdoor verdween een groot aantal traditionele bedrijven en bedrijfstakken. Een sprekend voorbeeld is de eeuwenoude scheepsbouw, zo kenmerkend voor een handelsnatie als Nederland: ondanks miljarden aan overheidssteun en gedwongen saneringen bleek deze uiteindelijk niet te redden. Vanaf 2000 tot 2009 was sprake van een korte opleving van het aantal scheepswerven in Nederland, waarna door de economische crisis de scheepsbouw wereldwijd weer instortte. Een ander geval is de mijnbouw in Zuid-Limburg. Door de vondst van aardgas in Groningen en de concurrentie van goedkope kolen uit het buitenland bleken de Nederlandse mijnen niet meer concurrerend te kunnen werken. In korte tijd zijn dan ook tussen 1966 en 1974 de mijnen gesloten. Van de eens zo belangrijke steenkoolmijnbouw in ons land is nu maar bar weinig meer terug te vinden. Een andere sector waar ook een snelle sluiting en kaalslag plaats had, was de textiel. Veel fabrieken werden gesloten en gesloopt en traditionele textielcentra als Enschede, Almelo, Tilburg en Helmond ondergingen een drastische gedaanteverwisseling.

 

Groeiende waardering voor relicten van de industrie

Ten tijde van al deze snelle veranderingen, vanaf 1970, ontstond een herwaardering van voortbrengselen uit de negentiende eeuw, zoals gietijzeren bruggen, vuurtorens en stoommachines. Deze belangstelling leidde tot een eerste symposium over ‘industriële archeologie’, georganiseerd in 1974 door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) en de Technische Hogeschool te Delft. Vervolgens ontstonden er op plaatselijk en regionaal niveau organisaties die zich gingen inzetten voor behoud en documentatie van deze relicten uit het begin van de industriële revolutie. Van een brede interesse was echter nog geen sprake. Overheden en de instanties die zich met monumentenzorg en het Nederlands cultureel erfgoed bezighielden, besteedden nog weinig aandacht aan dit nieuwe type van monumenten. In het Europees Monumentenjaar 1975 werden weliswaar enige vuurtorens, stationsgebouwen en gemalen op de rijksmonumentenlijst geplaatst, maar voor het behoud van industriële objecten maakten zich vooralsnog alleen particuliere organisaties sterk. Hun weerklank valt af te meten aan wat er in die jaren in Tilburg gebeurde: in 1975 viel de textielfabriek van Pieter van Dooren, een schitterend gebouw met drie verdiepingen, kenmerkend voor de eerste fase van de wolfabricage, ten offer aan de slopershamer, maar in 1985 werd een soortgelijk gebouw na velerlei acties gered en herbestemd tot een textielmuseum.

Inmiddels kwam ook de overheid tot inzicht dat het hier ging om een categorie objecten die onmiskenbaar een onderdeel vormt van het Nederlands cultureel erfgoed. Immers bij het zogeheten Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de jongere bouwkunst - tot stand gekomen tussen 1850 en 1940 - werd het belang en omvang van dit bijzondere erfgoed, waarvoor nog geen eenduidige benaming bestond, ook voor de traditionele monumentenzorg duidelijk. In de jaren 1970 was de term ‘industriële archeologie’ nog dominant, vooral in Groot-Brittannië en Duitsland. Het werd door de Engelse historicus Michael Rix als volgt omschreven: 'Industriële archeologie is het registreren, in bepaalde gevallen behouden en het interpreteren van terreinen en structuren van vroeg-industriële activiteiten, in het bijzonder de monumenten van de industriële revolutie'. Hierbij lag de nadruk op de studie van deze overblijfselen, wat te verklaren valt uit de academische achtergrond van deze pioniers. In Nederland is deze term ook gebruikt, maar daarnaast kwam ook de term 'monumenten van bedrijf en techniek' in zwang, waarmee een verbreding plaatsvond naar machines en waterstaatkundige, militaire en infrastructurele objecten. De term ‘industrieel erfgoed’ wordt pas sinds 1990 algemeen gebruikt. Deze omvat zowel het onroerende (gebouwen, complexen en ruimtelijke structuren) als het roerende erfgoed (machines e.d.). Deze term geeft aan dat we die objecten waardevol genoeg vinden om over te dragen aan nieuwe generaties, om zo relevante aspecten van het Nederlands industriële verleden zichtbaar te houden. FIEN en de aangesloten vrijwilligersorganisaties zijn daarom continu actief met het scheppen van draagvlak voor behoud en herbestemming van industrieel erfgoed. Dat houdt niet alleen in dat we waar nodig het cultuurhistorisch belang van dergelijke objecten onderbouwen, maar ook dat we partijen bij elkaar brengen en processen in gang zetten om dit doel te bereiken.

 

Het Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE)

De eerste jaren na haar oprichting waren FIEN en de Aangesloten Organisaties nog niet zo sterk ontwikkeld. Maar tegelijkertijd was er veel goodwill, ook bij de officiële instanties, die inzagen dat er een inhaalslag moest worden uitgevoerd voor deze categorie gebouwen, die niet in de eerste plaats konden worden beoordeeld volgens de gangbare esthetische criteria. Een commissie van deskundigen publiceerde in opdracht van het Ministerie in 1989 een adviesnota onder de programmatische titel ‘Industrieel erfgoed en de kunst van het vernietigen’. Een wetenschappelijk gefundeerd afwegingskader zou moeten zorgen voor een verantwoorde selectie uit de veelheid van industriële relicten, die ondanks de massale sloop in de voorgaande jaren nog steeds restte. Er moest een beleid worden geformuleerd waardoor die te behouden restanten een evenwichtig beeld van de industriële geschiedenis van Nederland zouden weergeven. In het kader van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud uit 1991 werd een rijkssubsidie verleend om de achterstand die ons land had op dit gebied in te lopen. Zo werd in 1992 het landelijke Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE) opgericht, met enkele betaalde medewerkers. Het projectbureau kwam met een ambitieus plan onder de toepasselijke naam 'Druk op de ketel'. Hierin werd gewezen op het belang van onderzoek naar de verschillende bedrijfstakken van de Nederlandse industrie, om te komen tot een verantwoorde selectie als basis voor behoud, waarvoor herbestemming en hergebruik van industrieel erfgoed als een belangrijk middel werd gezien. Nieuw was ook het pleidooi voor educatie en cultuurtoerisme. Dit alles kreeg een bekroning in het project ‘1996: Jaar van het industrieel erfgoed’. Dit themajaar oogstte veel positieve publiciteit en heeft er toe bijgedragen dat een duidelijke verbreding van het draagvlak bereikt werd, en dat het industrieel erfgoed in Nederland op de monumentenkaart werd gezet en onderdeel werd van het beleid. Met name het ‘brancheonderzoek’ is van groot belang geweest bij de selectie van industriële objecten in het kader van het Monumenten Selectie Plan (MSP), een vervolg op het al eerder genoemde Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Een en ander heeft er toe bijgedragen dat er momenteel ca. 1.000 beschermde industriële monumenten zijn, die representatief zijn voor de industriële geschiedenis van ons land. Het PIE-project werd in 1997 succesvol afgesloten en selectie, behoud en herbestemming van industrieel erfgoed zijn sindsdien integrale onderdelen van het beleids- en denkkader van alle betrokken partijen. Een ander centraal programmapunt uit ‘Druk op de ketel’, namelijk de oprichting van een non-profit organisatie die zich bezig zou gaan houden met de ontwikkeling van industrieel vastgoed, is uiteindelijk ook gerealiseerd: mede dankzij de financiële steun van enkele marktpartijen werd in 1997 BOEi opgericht, dat in de daarop volgende jaren een grote hoeveelheid industrieel erfgoed heeft gekocht en (her)ontwikkeld, zoals het grote complex van IJzergieterij DRU in Ulft en Cereol in Utrecht. In de recente periode is BOEi ook overgegaan tot de aankoop van kerken en boerderijen, waarmee het onderstreept hoezeer al deze categorieën gebouwen een integraal onderdeel vormen van het Nederlandse culturele erfgoed. 

Een nieuwe rol voor vrijwilligersorganisaties en particulier initiatief

Als vervolg op het PIE, dat zich voornamelijk had beziggehouden met onroerend erfgoed, richtte in 2000 een aantal organisaties uit het veld met tijdelijke steun van het Prins Bernhard Fonds en VSB Fonds het Centrum voor Industrieel en Mobiel Erfgoed (CIME) op. De nadruk lag hier op de inventarisatie van het roerend en mobiel erfgoed in ons land. Daarbij werd ook een begin gemaakt met de ‘Registers voor varende monumenten en railmonumenten’. De resultaten werden in 2004 neergelegd in het rapport 'De kunst van het bundelen', maar in de Cultuurnota 2005-2008 kreeg dit beleidsterrein geen speciale aandacht meer. Als gevolg hiervan werd het CIME in 2006 opgeheven. FIEN trok daaruit de conclusie dat zij niet meer hoefde te rekenen op geldelijke steun door de overheid en de kar alleen zou moeten trekken. FIEN besloot zich weer te gaan richten op de oorspronkelijke doelstellingen, zoals het ondersteunen van vrijwilligers

door vrijwilligers en het functioneren als landelijk platform en als plaats voor kennisoverdracht voor de aangesloten organisaties.

Daarbij moest ook de tering naar de nering worden gezet. De nieuwsbrief ‘Industria’, die sinds 1991 driemaal per jaar verscheen met nieuws van en voor de leden van de aangesloten organisaties, kwam onder druk te staan. In 2006 moest deze als zelfstandige publicatie worden gestopt, maar door een overeenkomst met Bond Heemschut werd deze nog enkele jaren als een apart katern opgenomen in het tijdschrift ‘Heemschut’. Hiermee werd opeens een verspreiding over 8000 abonnees van die organisatie bereikt. Maar ook na beëindiging van deze formele samenwerking is dit blad regelmatig berichten blijven publiceren over industrieel erfgoed. FIEN heeft overigens als vervanger van ‘Industria’ een eigen website gelanceerd, die in 2017 met steun van BOEi sterk is gemoderniseerd.

Deze episode laat zien dat het belang van industrieel erfgoed nu ook meer wordt onderschreven door andere cultuurhistorische organisaties, wat een tendens bevestigt die al zichtbaar werd sinds het ‘Jaar van het Industrieel Erfgoed 1996’ en de plaatsing van veel industrieel erfgoed op de lijst van Rijksmonumenten. Anderzijds zijn veel Aangesloten Organisaties van FIEN ook meer gaan samenwerken met plaatselijke en regionale historische verenigingen en met overheidsinstanties. Daarbij komt de nadruk steeds meer te liggen op een gebiedsgerichte aanpak, met grote aandacht voor het opnemen van industriële objecten in de planvorming. In 2004 heeft de staatssecretaris voor Cultuur de toewijzing van nieuwe Rijksmonumenten opgeschort, waardoor het vrijwel alleen nog mogelijk was gebouwen te beschermen via de minder omvattende gemeentelijke status. Dit heeft er ook toe bijgedragen, dat proactief meedenken belangijker is geworden. De nieuwe Omgevingswet en de Monumentenwet nieuwe stijl bieden hiervoor de mogelijkheid, maar het vergt wel kennis van zaken en alertheid om hier goed op in te spelen. Hierin ligt een belangrijke taak voor FIEN en de Aangesloten Organisaties. Hierbij gaat het erom, ontwikkelingen op het gebied van o.a. welstandsbeleid en (woning)bouwquota goed te volgen zodat industrieel erfgoed tijdig in de bestemmingsplannen wordt ingepast.

 Een belangrijke nieuwe ontwikkeling van de laatste twee decennia is de opkomst van ‘broedplaatsen’: leegstaande complexen van (veelal industriële) gebouwen waarin mensen met creatieve activiteiten hun onderkomen zoeken. Voorheen gebeurde dat veelal door krakers (vooral in Amsterdam), wat kon leiden tot confrontaties met de eigenaar en de gemeente. Tegenwoordig zien veel gemeentebesturen en ontwikkelaars de mogelijkheden van deze broedplaatsen: er kunnen nieuwe, veelbelovende bedrijfjes starten, de creatieve activiteiten komen ten goede aan de uitstraling van de stad en verwaarloosde gebieden krijgen een nieuwe dynamiek. Daardoor krijgt herbestemming van industrieel erfgoed in deze gebieden extra kansen. Ook zijn er tegenwoordig meer particuliere kopers op de markt, die op eigen risico vaak verrassende en goede initiatieven ontplooien. De vraag bij dit alles is wel, hoeveel er uiteindelijk overblijft van de oorspronkelijke industriële uitstraling en of er bij die broedplaatsen nog een plek is voor de oorspronkelijke gebruikers die het complex op de kaart hebben gezet. Goede voorbeelden zijn De Binckhorst in Den Haag, het Havenkwartier in Deventer en Strijp-S in Eindhoven; bij Warner Jenkinson in Amersfoort is de balans in genoemde opzichten ongunstiger uitgevallen. En verder is niet elk gemeentebestuur overtuigd van de waarde van zulke gebieden. Te vaak nog overheerst een korte termijn perspectief van optimale inkomsten, zonder te letten op de bredere ontwikkelingskansen van voormalige industriële zones op de wat langere termijn. Ook is in lang niet iedere stad de vraag vanuit de creatieve sector naar dit soort ruimtes even groot. Maar over het algemeen kan men zeggen, dat de economische en cultuurhistorische mogelijkheden van dit soort gebieden steeds ruimer erkend worden en onderdeel vormen van het beleid van gemeentes, eigenaren en projectontwikkelaars, zeker als de economie aantrekt.

Ook binnen deze nieuwe verhoudingen is er voor FIEN en de Aangesloten Organisaties nog genoeg te doen. Meedenken en proactief bezig zijn spelen daarbij een doorslaggevende rol. Anno 2017 bedraagt het aantal organisaties dat zich in de federatie heeft verenigd 54. Dit zijn niet alleen lokale en regionale organisaties, maar ook categorale, die zich bezighouden met een specifieke categorie objecten als gemalen, watertorens, schepen en trams. Ze bestaan allemaal uit enthousiaste vrijwilligers uit alle delen van het land en uit alle lagen van de bevolking, en zijn de ‘oren en ogen’ die alert reageren op relevante lokale en nationale ontwikkelingen. 
 

Meedoen?

Als u zich in wilt zetten voor onderzoek, behoud en/of herbestemming van industrieel erfgoed, kunt u contact opnemen met ons, of met een van de op deze website genoemde Aangesloten Organisaties. Ook lokale Historische Verenigingen en Bond Heemschut hebben zich op dit terrein verdienstelijk gemaakt. Als u een behoudenswaardig object voor wilt dragen voor de status van gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument (dit laatste kan alleen nog maar in uitzonderlijke gevallen), dient u ‘belanghebbende’ te zijn; een Stichting (met een behoudsfunctie, zoals hiervoor genoemd) zal als zodanig meer gewicht in de schaal leggen dan een willekeurige particulier. Uiterst belangrijk is het lokale draagvlak; daarvoor dienen argumenten gezocht te worden (historisch onderzoek) die via publiciteit de opinie gunstig kunnen beïnvloeden. Op de website (www.industrieel-erfgoed.nl) wordt u op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op het gebied van industrieel erfgoed.  Bij FIEN kunt u terecht voor algemene informatie over industrieel erfgoed. Voor antwoord op specifieke vragen of projecten kan FIEN doorverwijzen naar specialisten uit de kring van Aangesloten Organisaties of daarbuiten. FIEN is te bereiken via de webredactie of via het onderstaand adres:

Secretariaat FIEN:

p/a G. van Hooff Trambrugweg 3

5707 XZ Helmond

Tel: 0492-532783

E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to StumbleuponSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn